Westfriese Meesters

Posted by Co Buysman on 10 maart 2020 in Verslag |

Vanaf de eerste editie in 1933 hebben we het over het Westfries kampioenschap. Het is een wat clichématige betiteling van een evenement, want er zijn al zo veel kampioenschappen. Misschien moeten we de moderne tijd binnenstappen en er een moderne naam aan geven. Westfriese Meesters bijvoorbeeld.

Voor de derde ronde zijn we te gast bij Torenhoog dat sinds jaar en dag in de kantine van IJsclub Hoogkarspel speelt. Naast De Deurlouper, zoals het gebouwtje heet, ligt een natuurijsbaan. Omdat de temperatuur niet onder het vriespunt komt, is het een grote plas water. Voorzitter Ed Hornick noemt het even in zijn openingswoord. Als het op het schaakbord niet lukt de opponent kopje onder te krijgen, kun je het alsnog daar proberen.

De speelzaal is niet groot. Er zijn vier partijen voor de clubcompetitie van Torenhoog en zes voor het Westfries kampioenschap. Met 23 man (de schakers, de WFK-organisatie en Ed) kun je spreken van een volle bak. Het voordeel van een kleine ruimte is dat je niet veel hoeft te lopen om veel te zien. Want dat is er deze avond.

Het eerste dat opvalt is een kunstzinnige stelling in de partij Emil Zaal – Wilko van der Gracht. Een topper, want zij zijn de enige twee met de maximale score. Al na zes zetten is het zo ver. Emil heeft vier pionnen op de vierde rij, van c4 tot en met f4 en dus keurig in het midden. De paarden staan op c3 en f3 en de overige stukken op de beginvelden. Van de bovenkant lijkt het een beetje op een tempel uit de Griekse oudheid en van de voorkant een machtig fort. De stelling is artistiek vormgegeven en zo dwalen de gedachten af naar een artistieke naam voor het Westfries kampioenschap.

In 1994 had je de Amstelveense Meesters. Tegenwoordig hebben we de Haarlemse Meesters, de Mokumse Meesters en de Utrechtse Meesters. Op het Noteboom-toernooi in Leiden werd een erevierkamp de Oude Meesters genoemd en over de grens zit je snel bij de Brugse Meesters. Soms hoef je het wiel niet uit te vinden. Kunnen we van het WFK niet de Westfriese Meesters maken? Overdreven! Ach, bijna de helft van het deelnemersveld is Westfries kampioen geweest, dus dat valt wel mee. En er valt deze avond op alle borden veel te genieten. Meesterwerk.

Het is de ronde van de aparte stellingen. Bij Rob van den Heuvel – Jan Stapel zie ik na negen zetten een volle diagonaal a2-g8. En twee zetten later is op de diagonaal a7-g1 geen lege plek meer te vinden. David Verweij en Fred Avis zorgen voor een triplepaard: paarden op e4, e5 en e6. Fraai is zeker de stelling bij Jaap Gorter – René Brouwer na 10. Lf3. Zowel de diagonaal a1-h8 als de hele f-lijn staat vol met stukken en pionnen.

Het is ook de ronde van de korte partijen. De zes samen tellen 156 zetten, een gemiddelde derhalve van 26. Maar in al die stellingen zitten zoveel mogelijkheden, dat het analyseren tot na middernacht doorgaat. Want zo zijn de Westfriese Meesters; zij zijn altijd op zoek naar de waarheid, ofwel de beste zet.

 

Emil Zaal (1836) – Wilko van der Gracht (2057) 1-0

Na drie ronden is Emil Zaal de verrassende koploper. De Attaqueer-speler staat na zijn zege op Wilko van der Gracht nog steeds op een score van honderd procent en heeft een punt voorsprong genomen op vier achtervolgers: naast zijn opponent ook titelverdediger Peter Poncin, oud-kampioen Rob van den Heuvel en Fred Avis.

Het is de eerste keer dat ze in een WFK-partij tegenover elkaar zitten. Wit geeft meteen blijk van zijn bedoelingen door in vijf zetten de pionnenmuur c4-d4-e4-f4 op te bouwen. Wilko, die in 1994 en in 2006 de Westfriese titel veroverde, probeert daar een solide defensie tegenover te zetten. Hij komt echter na 10. f5 in de problemen, als een paard op h6 tweemaal wordt aangevallen en het terug moet naar g8. Emil gaat op de koningsvleugel tot actie over, Wilko kiest voor de andere flank. Vrijwel alle witte stukken zijn ingezet om het offensief te versterken, terwijl veel zwarte stukken op de achtste rij staan en zij geen bijdrage kunnen leveren aan het verdedigen. Die strijd is te ongelijk.

 

Peter Poncin (2005) – Peter van Waert (1884) ½-½

Met de partij Peter Poncin – Peter van Waert krijgt de derde ronde de jongste en de oudste Westfries kampioen van dit deelnemersveld tegenover elkaar. Dat ‘de jongste en de oudste’ slaat op de jaren, waarin ze de titel hebben gepakt. De witspeler is titelverdediger, zwart eindigde in 1991 op de eerste plaats. Toen deden ook Jaap Gorter, Wilko van der Gracht en Jan Stapel mee.

De Hoornse Peter de Grote laat zich niet verrassen door het Albin-tegengambiet. Er wordt tegengesteld gerokeerd, waarna zwart zijn vizier richt op de koningsvleugel en zijn opponent de pionnen op de andere flank in stelling brengt. Wit kan voordeel behalen door met 17. Lxd5 dameruil te forceren om vervolgens met oprukkende pionnen over het hele bord de Hemmer Peter de Grote terug te dringen. Hij kiest voor een andere voortzetting. Als zwarts d5-paard naar c3 springt, krijgt hij via paardruil een pion op dat veld en die wordt een vervelend obstakel voor de witspeler.

Beiden blijven naar aanvalskansen zoeken. Op de 21e zet neemt de GZ-routinier zijn geofferde pion terug en na dameruil is het grootste voordeel voor de titelverdediger verdwenen. Even later is remise een logisch resultaat, waarna de tijd wordt genomen om alle mogelijkheden en onmogelijkheden nog eens na te lopen.

 

Rob van den Heuvel (1880) – Jan Stapel (1803) 1-0

Rob van den Heuvel gaat op herhaling tegen Jan Stapel. In de derde ronde van de clubcompetitie van Aartswoud heeft hij met wit van de routinier uit Lambertschaag gewonnen, in de derde ronde van het Westfries kampioenschap doet hij dat eveneens.

Beide spelers houden elkaar lang in evenwicht. In een Dame-Indische partij laat zwart vooral zijn dameloper veel werk verrichten. Hij heeft echter een pion op d5 die lastig te verdedigen is en daar pakt Rob met 26. Dxd5 zijn eerste voordeeltje mee. Met krachtige zetten probeert Jan zijn clubgenoot in de problemen te brengen, maar die pakken averechts uit. Als zijn loper instaat, valt zwart met een toren de dame aan. Het antwoord van de witspeler is een aanval op de a7-pion die door die toren werd verdedigd. Jan kan de schade beperkt houden tot kwaliteitsverlies en stuit vervolgens op het prima verdedigen door Rob. Hij krijgt geen tegenkansen en zal na de slotzet een stuk kwijtraken.

Geen zo vader zo zoon op het Westfries kampioenschap. In 2007 had Gerco Stapel, toen uitkomend namens De Pionier en zoon van de zwartspeler, Rob op remise gehouden.

 

David Verweij (1725) – Fred Avis (1859) 0-1

David Verweij staat in de top tien van de clubcompetities van Aartswoud en Caïssa-Eenhoorn en heeft in de recente historie op de dinsdag- en vrijdagavond menig sterke speler verslagen. Hij lijkt op weg om Fred Avis aan dat rijtje toe te voegen, maar verslikt zich in de onberekenbaarheid en de ervaring van zijn gelouterde opponent.

In het Koningsgambiet bereikt wit in het vroege middenspel een mooie stelling. De half open f-lijn biedt een aanknopingspunt voor een aanval. Beiden hebben een paard op een strategisch veld geplaatst: David op e5, Fred op e4. Omdat de zwartveldige lopers zijn geruild, is veld e3 een zwakte in de witte verdediging. Als de zwartspeler de kans krijgt om zijn dame via g5 daarop te posteren, is het meteen uit. Hij wordt zo de eerste winnaar van de avond en gaat tegen het advies van partijgenoot Mark Rutte in door de uitgestoken hand van David te accepteren.

 

Jaap Gorter (1822) – René Brouwer (1631) 1-0

Seizoenenlang vaardigden de meeste Westfriese verenigingen twee spelers af naar het Westfries kampioenschap. Gebruikelijk was dat ze het in de eerste ronde – op de eigen clubavond – tegen elkaar opnamen. Daar is sinds 2012 vanaf gestapt. Een jaarlijkse Schaaklust-partij op het WFK is minder vanzelfsprekend geworden, maar in deze derde ronde staat die weer op het programma.

Jaap gebruikt het Londen-systeem en dat trekt de aandacht van Torenhoog-voorzitter Ed Hornick die het een van zijn favoriete openingen vindt. ,,Maar hoe ga je op een bepaald moment verder? Daarom vind ik het leuk dat Jaap dat nu speelt. Ik heb gekeken hoe hij dat in het middenspel doet.’’

Wit wil domineren in het centrum en richt daar bijna al zijn stukken op, inclusief het loperpaar op f3 en f4. Met 11. … g5 wil René proberen de zwartveldige loper in te sluiten, maar zijn clubgenoot maakt met 13. Pxc6 veld e5 vrij voor het stuk. Als ook het tweede zwarte paard wordt geslagen, kan Jaap zijn e-pion opspelen. Daar begint de beslissende aanval mee. Hij verzekert zich van kwaliteitswinst die wit pas incasseert, als zijn dame een centrale positie op het bord heeft ingenomen. René kijkt dan tegen een verloren stelling aan.

Daarmee zet Jaap zijn successenreeks tegen Schaaklusters in het Westfries kampioenschap voort. De laatste tien partijen tegen clubgenoot Piet Reus leverden negen punten op.

 

Gerard Beerepoot (1602) – Axel Zee (1586) ½-½

Na drie ronden zijn alle spelers van de nul af. Gerard Beerepoot en Axel Zee tekenen de vrede na een korte, maar hevige strijd. Zwart zet in het vroege middenspel druk op de damevleugel, waar een witte loper op a2 wat buitenspel lijkt te staan. Schijn bedriegt. Er volgt een gevecht om de posities in het centrum dat geen winnaar krijgt.

De koers verandert na 11. … f5, als zwart plotseling in de aanval gaat en zijn opponent achteruit moet. Axel kan de zwartveldige loper insluiten. Hij kiest voor een vergroting van de druk op pion c2. De GZ’er heeft echter een achtergebleven pion op e6 en die wordt een prooi voor Gerard, waardoor dankzij de witte loper op a2 de diagonaal naar g8 ineens gevaarlijk voor zwart wordt. Na een verdedigingszet van zijn opponent beseft de witspeler dat hij ondanks een pion meer toch moet oppassen en zijn remise-aanbod wordt geaccepteerd.

Copyright © 2010 Westfries Schaakkampioenschap | Website realisatie: BeNancy Media